Special: Team Lotus is terug ?

Lotus Racing heeft bekendgemaakt dat ze vanaf volgend jaar terug rijden in het zwart met gouden letters, net als in de jaren ’70. Ook loopt het team nog altijd te lobbyen om de naam “Team Lotus”. Wat was er nu eigen lijk zo speciaal aan het Team Lotus?
Lotus begon als een gewoon raceteam in 1948. Een structureel ingenieur genaamd Colin Chapman, die the Royal Air Force verliet, interesseerde zich voor auto’s en ging werken bij the British Aluminium Company. Daar leerde hij hoe je met aluminium auto’s kon bouwen en in zijn vrije tijd startte hij er dan ook mee.

Zijn eerste wagen bouwde hij met het chassis van een Austin 7 Saloon, toen hij nog niet afgestudeerd was. De wagen werd de Mark I (Mk I) gedoopt en was meteen een succes. Door deel te nemen aan races haalt de jonge coureur-ontwerper heel wat geld binnen. Met dat geld kon hij de Mk II en de Lotus 6 bouwen. Hij begint ook met de verkoop van zijn wagens.

De echte doorbraak kwam er pas in 1957, met de Lotus 7. De wagen is vandaag de dag bekend onder de naam Caterham 7, een modernere versie met hetzelfde chassis. (De Catherham seven was een van de snelste wagens in het populaire Britse autoprogramma Top Gear.)

In 1958 werd Lotus actief in de Formule 1 na in andere klassen geëxperimenteerd te hebben. Alhoewel Chapman er al in geloofde dat een motor achterin de wagen beter was dan een voorin, had zijn eerste Formule 1-wagen een motor voorin. Toch had hij had al ervaring met Formule 1. Hij had immers nog meegewerkt aan de ophanging van een BRM toen hij nog bij The British Aluminium Company werkte.

In de jaren ’50 behaalde Lotus bescheiden resultaten en in 1960 zette Stirling Moss voor het eerst een Lotus als eerste over de streep. Dat deed hij in de grote prijs van de Monaco en in die van de Verenigde Staten, maar voor Rob Walker Racing Team en niet voor Team Lotus. Zij moesten een jaar wachten tot de Amerikaanse gp 1961. In dat jaar haalde Rob Walkers team met Stirling Moss ook nog twee overwinningen binnen (Monaco en Duitsland).

1962 was het eerste succesvol seizoen voor het Team Lotus. De legendarische Jim Clark, die nooit voor een ander team reed, stond met zijn Lotus 25 drie keer op het hoogste schavotje van het podium. Maar de wagen had een probleem. In vier van de negen races dat jaar haalde Clark de finish niet. Wereldkampioen Graham Hill (vader van Damon) beëindigde elke gp.

Het jaar daarop waren de rollen omgekeerd. Hill viel in drie van de tien grote prijzen uit en Clark nooit. Hij bezorgde Lotus zeven overwinningen, het rijderskampioenschap en het constructeurskampioenschap.

In 1964 gooide Ferrari John Surtees in de strijd voor het kampioenschap. Alhoewel Clark drie races won en de andere titelkandidaten slechts twee, bleef het spannend tot de laatste grand prix in Mexico. Gurney won en Surtees werd tweede en wereldkampioen. Hill en Surtees scoorden tweede (en derde) plaatsen, iets waar de regerende wereldkampioen niet in slaagde.

Met de ontwikkeling van de nieuwe wagen, de Lotus 33, afgerond kwam de dominantie terug. Clark zette zes van de eerste zeven grand prix’ op zijn naam. (In Monaco deed hij niet mee en daardoor kon hij dus ook niet winnen.) Lotus werd weer kampioen bij de constructeurs en had met Clark ook weer de wereldkampioen.

In het begin van het seizoen van 1966 leverde Climax een onsuccesvolle 2-litermotor aan Lotus. Daarom schakelde het team over naar een BRM H16 als motor. Deze verandering was ook niet al te best, want de zware motor zorgde voor een slechte gewichtsverdeling. Daarnaast was de BRM-motor niet betrouwbaar. Toch behaalde Jim Clark de zege in de grote prijs van de Verenigde staten.

Voor het seizoen van 1967 deed Lotus een beroep op Ford-Cosworth als motorleverancier. De DFV werd ontwikkeld door Keith Duckworth, een oud-werknemer van Lotus. De motor deed Lotus weer winnen. Van de elf races won Clark er vier, maar wist hij bij vijf races de finish niet te halen. Verder behaalde hij nog een derde en een zesde plaats. Weer verloor de Schot zijn wereldtitel door een onbetrouwbare Lotus.

Na een jaar exclusief recht te hebben gehad op de DFV als motor, kreeg in 1968 ook de concurrentie dezelfde motor als Lotus. Dat bracht een nieuwe concurrent met zich mee, Tyrell en Jackie Stewart. Lotus deed dat jaar beroep op een tweede topcoureur, de wereldkampioen uit 1962, Graham Hill. De twee beste rijders van de afgelopen jaren zaten nu dus bij hetzelfde team.

Toch begon het seizoen slecht. Na op nieuwjaarsdag de Zuid-Afrikaanse grand prix te winnen, nam Jim Clark op 7 april deel aan een formule 2-race (wat in die tijd heel normaal was) op de Hockenheimring. Waarschijnlijk kreeg hij een klapband en vloog hij daardoor van de baan. In ieder geval werd hij tegen een boom gekatapulteerd en liep hij een nek- en schedelbreuk op. Nu ging het titelgevecht nog tussen Hill en Stewart. In de volgende twee grote prijzen deed Steward niet mee en daardoor ging Hill met de titel lopen.

Later dat seizoen zou Colin Chapman zijn genialiteit nog eens laten zien. Hij deed een ontdekking die heel de Formule 1 door elkaar schudde, iets wat hij in 1977 terug zou doen. Bovenop de Lotus 49 zette hij een schuine plaat. Vandaag de dag noemen we zoiets een vleugel.

In totaal behaalde de Engelsman drie zeges en evenveel tweede plaatsen. Ook Jo Siffert behaalde wat punten en een overwinning voor een particulier team dat met een Lotus reed. Dat zorgde ervoor dat de twee kampioenschappen weer naar Lotus gingen.

In het seizoen van 1969 had elk team vleugels ontdekt en deed Lotus beroep op Jochen Rindt en Graham Hill. Ze kwamen allebei een keer op het hoogste schavotje te staan, maar waren niet opgewassen tegen Jackie Stewart en zijn Tyrell.

In de eerste negen grand prix van 1970 kwam Jochen Rindt zes keer aan en slechts een keer niet als overwinnaar, maar in de grote prijs van Italië ging het fout. Om een hogere topsnelheid te bereiken op de snelle baan van Monza haalde Chapman de vleugels van zijn wagens. Dat maakte de bolides echter moeilijk bestuurbaar.

Bij het aanremmen voor de Parabolica verloor de Oostenrijker de controle over het stuur en gleed gedeeltelijk onder de vangrail. Zijn keel werd doorgesneden door het plexiglas raampje voor hem. Hij overleed op weg naar het ziekenhuis.

Alleen onze landgenoot Jacky Ickx kon Rindts kampioenschap nog afnemen, maar dat gebeurde niet. Emerson Fitipaldi behaalde nog een zege voor Team Lotus en het team van Colin Chapman slaagde er in zijn titels te behouden.

In het seizoen van 1971 kwam Chapman met heel wat nieuwe, experimentele systemen (ondermeer gasturbines en vierwielaandrijving), maar jammer genoeg zonder succes. Lotus moest genoegen nemen met de drie podia die Emerson Fitipaldi aan het palmares toevoegde.

In 1972 sierden de logo’s van John Player Special de nieuwe Lotussen, na vier jaar Gold Leaf reclame. (Gold Leaf en John Player Special worden wel door hetzelfde bedrijf gemaakt.) Tegenwoordig begon de naam van de Formule 1-wagens van Lotus met de letters JPS. De naam van de nieuwe sponsor prijkte in gouden letters op de zwarte wagens, net als dat in 2011 het geval zal zijn.

In dat seizoen werd er nog steeds beroep gedaan op de (JPS)72 en die bleek nog altijd even succesvol. Emerson Fitipaldi vocht met Jackie Steward om het kampioenschap, behaalde vijf zegens en bracht de twee wereldtitels terug naar Team Lotus. Hij werd de jongste wereldkampioen ooit (een record dat pas in 2005 door Fernando Alonso werd verbroken, maar nu op naam van Sebastian Vettel staat).

Voor het derde jaar kwam Lotus met de JPS72 aan de start en weer bewees de wagen zijn efficiëntie. Emerson Fitipaldi en Ronnie Peterson verdeelden zeven zeges onder elkaar, maar Jackie Stewart haalde er alleen al vijf binnen voor Tyrrell. Lotus haalde de constructeurstitel binnen, maar zag het rijderskampioenschap wel naar Stewart gaan.

In 1974 verloor Team Lotus Emerson Fitipaldi aan McLaren. Hij werd vervangen door onze landgenoot Jacky Ickx. Ook Colin Chapman probeerde zijn beste voetje voor te zetten. Hij had een nieuwe wagen ontworpen, de JPS76. Ickx was niet te spreken over de wagen en adviseerde Chapman, na de Spaanse gp, de JPS72 terug op het circuit te zetten, wat ook gebeurde. Zo kon Peterson dat jaar nog drie grote prijzen op zijn naam zetten.

Het bleef van kwaad naar erger gaan met Team Lotus en in 1975 behaalde Ickx n podium en samen met de punten van Peterson kwam Lotus pas op een zevende plaats in het constructeurskampioenschap.

Veel verbetering kwam er niet en 1976 werd catastrofaal voor Lotus. Na de eerste gp (die van Brazili驫) stapte Ronnie Peterson het af en kwam Gunnar Nilsson in de plaats. Ook Mario Andretti vertrok, maar kwam later dat seizoen nog terug. Bob Evans kon daardoor twee grote prijzen rijden voor het ooit zo goede Team Lotus. Toch werd de JPS77 steeds beter en kon Mario Andretti de Japanse grote prijs nog winnen.

In 1977 herstelde Lotus miraculeus door de inventiviteit van Colin Chapman. De JPS78 bezorgde Mario Andretti vier zeges en Gunnar Nilsson de race op Zolder. De sleutelwoorden waren groundeffect en wingcar. Een wingcar is een wagen die aan de zijden van de cockpit twee platen heeft die naar achteren toe steeds hoger worden en zo fungeren als vleugels. Groundeffect is de term die men gebruikt voor het creëren van downforce door een zeer snelle luchtstroom te laten plaatsvinden onder de wagen, een proces waar de diffuser een heel belangrijke rol in speelt. “Vroeger deed men er alles aan om een luchtstroom onder de bolide te voorkomen, wij willen nu zoveel mogelijk lucht onder de wagen laten passeren.” aldus Chapman.

Lotus werd tweede in het constructeurskampioenschap achter Ferrari, die dat jaar de wereldkampioen, Niki Lauda, leverde.

In 1978 probeerde iedereen een wingcar met groundeffect te maken. Dat dat niet zo goed lukte was een plezierig feit voor Team Lotus dat al een tweede type wingcar klaar had, de JPS79. Mario Andretti en de teruggekeerde Ronnie Peterson behaalden de helft van de zeges (8).

Beiden streden nog voor het wk, maar dat gevecht werd drastisch beëindigd tijdens de grote prijs van Italië. Al tijdens de kwalificaties crashte Peterson tegen een boom en kneusde hij zijn been. De volgende dag nam de Zweed deel in de oudere, te krappe JPS78.

Op zondag startte een te enthousiaste starter de wedstrijd nog voor iedereen stilstond. James Hunt moest uitwijken voor Riccardo Patrese en raakte zo Petersons rechterachterwiel. De Lotus spinde en crashte hard in de vangrail. De benzinetank scheurde en veranderde in een vuurbal. Peterson zat klem in de wagen en werd door James Hunt, Patrick Depailler en Clay Ragazzoni uit het wrak getrokken. Na 20 minuten arriveerden de dokters, maar die hadden meer interesse in Vittorio Brambilla, die een band tegen het hoofd had gekregen.

Peterson had alleen verwondingen aan zijn onderste ledenmaten, 20 breuken in totaal. Tegen het advies in werd hij geopereerd in het ziekenhuis van Milaan. Tijdens de operatie geraakte er beenmerg vermengt met zijn bloed. Dat zorgde voor vetembolieën die later de organen zouden bereiken. Officieel werd de Zweed de volgende morgen dood verklaard.

Dat zorgde ervoor dat Mario Andretti wereldkampioen werd. Ook Lotus haalde de titel. Beide kampioenschappen zouden nooit meer naar Lotus komen. In eenentwintig jaar had Lotus zes wereldkampioenen geleverd en zeven constructeurstitels naar zich toe getrokken.

Een jaar later had iedereen door hoe het groundeffect werkte en Lotus ging langzaam maar zeker ten onder.

De cijfers spreken voor zich.

1979: 5 podia, vierde (in het constructeurskampioenschap)

1980: 1 podium (Elio de Angelis), vijfde

1981: 1 podium (Nigel Mansell), zevende

1982: 1 zege (Elio de Angelis, met 0,050s) + 1 podium, vijfde

Op 16 december 1982 testte Lotus de actieve ophanging, een systeem dat de rijhoogte constant moet houden ondanks de downforce. Die dag stierf het kloppend hart achter Team Lotus, Colin Champman, aan een hartaanval. De man die Lotus had opgestart en tot topteam had gemaakt was niet, meer en moest de lijdensweg niet verder volgen.

1983: 1 podium (Nigel Mansell), zevende

Halverwege het seizoen van 1983 schakelde Lotus over van Ford- naar Renault-motoren

1984: 6 podia, derde

1985: 3 zeges (2 voor Ayrton Senna in de regen, n voor de Angelis, na diskwalificatie Prost) + 6 podia, vierde

1986: 2 zeges (Ayrton Senna) + 6 podia, derde

In 1987 werd Camel hoofdsponsor en verdwenen de gouden letters op de zwarte wagen.

1987: 2 zeges (Ayrton Senna) + 6 podia, derde

De komst van de talenten Ayrton Senna, Nigel Mansell en Elio de Angelis waren slechts een tijdelijke redding. Met de steeds duurdere technologie驫n kon Lotus, net als vele kleine teams,niet concurreren tegen de kapitaalkrachtige grootmachten met de ondergang als gevolg.

In 1988 mocht Honda Renault vervangen als motorleverancier met 3 podia en een vierde plaats in het constructeurskampioenschap als gevolg.

In 1989 probeerde Lotus het met Judd-motoren en werd het zesde.

In 1990 schakelt Lotus wanhopig over op Lamborghini als motorleverancier en geraakte het niet verder dan een achtste plaats.

Voor het seizoen van 1991 mocht Judd terug de motoren leveren, maar weer verloor het team twee plaatsen in het constructeurskampioenschap.

Lotus maakt in 1992 en 1993 terug gebruik van Ford-motoren, wat een laatste lichtpuntje schiep in de verdere geschiedenis van het team.

1992: vijfde

1993: zesde

In hun laatste seizoen (1994) mocht Mugen-Honda de krachtbron leveren voor Lotus, dat dat seizoen niet verder geraakte dan een twaalfde plaats.

In oktober 1994 kocht David Hunt, broer van James, Lotus op. Lotus zou in februari van het volgend jaar verkocht worden en verder rijden met Pacific grand prix als naam. Zo eindigde het verhaal van het origineel Team Lotus.

De statistieken van Lotus:
GP starts: 493
WK punten: 1511
Overwinning: 79 (16%)
Podiums: 171
Pole Positions: 107 (22%)
Snelste rondes: 71 (14%)
Wereldtitels constructeurs: 7
rijderstitels: 6

Een bekende anekdote is het gebaar van Colin Chapman bij een overwinning. De legendarische oprichter van Team lotus gooide met een rondzwaaiende beweging zijn onafscheidelijke pet in de lucht (zie video onder de foto). De nabestaanden van Chapman schonken n van zijn petten aan het huidige Lotus. Het hangt bij elke grand prix in de pitbox van het team. Er bestaat geen twijfel over dat die in de lucht zal gaan als het vernieuwde (Team) Lotus zijn eerste overwinning behaalt.

image

Video:
a:0:{}
Gewoon nieuwsitem
a:0:{}

Steun F1journaal.be en bestel via onderstaande banner WonenWonen

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on email
Email
Share on print
Print
Steun F1journaal.be en bestel via onderstaande banner Dagelijkse inkopenDagelijkse inkopen